Skip to content

36 – Vuurtoren

Toen haar boek “The lighthouse” af was, schreef
Virginia Woolf dat het ‘met kop en schouders
uitstak boven al haar ander werk’. Dat is dan ook
de bedoeling van een vuurtoren. Er bovenuit steken
om lichtbaken te zijn, ankersteen en richtingwijzer.
Om vermoeide schepen aan land te binden. Het
maakt de zorgen van schippers dan ook … lichter.

En met dat licht wordt nogal ‘gemorst’. Om de tien
seconden roepen drie lange stoten voor de O van
Oostende op tot een geloof in de veilige thuishaven.
Tot 50 kilometer ver. Een minaret van licht. En dat
volledig automatisch. Wat toch net iets handiger is
dan een houtvuur op het strand of een olielamp op
een duintop.

Wel wordt het systeem met de regelmaat van een
torenklok nagekeken en moet elke keer weer het
verrassend bescheiden lampje van amper twee
vingers groot worden vervangen. Ook al is er
een even vlot automatisch werkende reservelamp
en draaien de zelfbewuste lenzen perfect eigenwijs
op hun kwikbad rond.

De tocht naar het licht daarentegen heeft iets meer
voeten in de aarde. Wel drie-honderd-vier-en-twintig
metalen trappen meer. Of 65 meter hoog. Maar daar-
boven heb je heel even de illusie in de ongrijpbaarheid
van de tijd te staan. En dat zet je hart in lichterlaaie –
alhoewel dat ook door het klimmen kan komen …
“Een lichtpunt in je duister bestaan”, noemde een
bevriend fotograaf dat ooit `s in een helder moment.

Deze felle Lange Nelle houdt stand. Steeg al tot drie
keer toe als een feniks op uit het lichtend vuur. En zal
met haar golvende blauw-witte buitenkleuren al wat
binnen vaart schitterend blijven gidsen.