Skip to content

54 – schrijnwerkerij

Een timmerman is in z’n houten nopjes als hij kan
monteren of construeren. Is enkel ‘lui’ in z’n woordelijk
meervoud. Bestudeert en markeert balken met potlood
en duimstok. Zaagt en snijdt op maat. Strooit gul met
spijkers en schaafkrullen. Repareert daken en deuren.
Naadloos werkt hij alle naden af. Er kan hem niets
gebeuren.

Kist- of kastenmaker … de schrijnwerker schijnt.
Hij schijnt als een metalen ochtendzon die elke
boom nieuw leven geeft.

Ongewild laat hij in het zaagsel zijn voetafdruk achter.
Als die dan ook nog duurzaam is, zijn we pas echt goed
aan het stappen. Van bos tot winkel, van zagerij tot
werkerij. Alle hout wordt hier op de voet gevolgd.
Fair hout, dus. Zongerijpt.