Skip to content

56 – logistieke ondersteuning evenementen 2

CARNAVAL D’ENSOR ET D’AUTRES MORTS

Ga mee op wilde jacht
vannacht, ga mee op tocht
met Rik en Roel,
de honden blaffen.
Wie scheeps is, moet varen.
Wie tuig is, vliegt en schreeuwt.
Koster van lierum en schilder-baron,
teken een hoed met een zwarten plastron.

Van boven op de kerk
dat windei-kapelleke
lacht een hen haar achterwerk bloot.

Trek haar ontij aan en doe de golven waaien,
jaag de duinen de stuipen op het lijf.
En het vuur op de masten.

Eén berijdt het varken met één oog,
één bouwt een geraamten staketsel,
één kust als een sprekende vis en
laat winden door de waterhaag.

En de paster draagt blauwwit
gesprenkelde kousen en blaast
door zijn aardmansmasker.
Den dikken Ensor doet den dunnen duvel
dansen, door doornenkroon en distel.

Verrezen uit het zand
spoelen wondere wonden aan.
Littekens van licht,
scheurende kleuren,
woorden vol water,
een namaakgezicht.

Bij volle morgen is het strand
zo dood als een dode kikker.